Cato van Dijck interview
// VIVA \\

Met haar band MY BABY reist zangeres Cato van Dijck (30) onafgebroken de wereld rond. Voor iets anders heeft ze geen tijd. ‘Ik wil het tragische verhaal van een onmogelijke liefde voorkomen.’

(De foto op de homepage is genomen door Carin Verbruggen & Ferry Drenthem Soesman.)

‘Ik heb een beetje een jetlag’, zegt Cato met een glimlach als ze restaurant NAP Amsterdam op IJburg binnenloopt. Ze is net terug uit Los Angeles, waar haar zus Sofie de helft van de tijd woont. Jarenlang waren ze samen de stem en het gezicht van The Souldiers, DWDD-huisband in 2010. Nadat de twee hadden besloten ieder hun eigen weg te gaan, stortten Cato, haar drummende broer Joost en gitarist Daniel Johnston zich vol overgave op een nieuw project. Daarmee gaat het, op z’n zachtst gezegd, nogal goed. MY BABY speelt wereldwijd concertzalen en festivalweides naar het kookpunt met een hypnotiserende mix van blues, funk, dance en voodoomuziek. De jetlags neemt Cato graag voor lief.

Je bent dit jaar al in India, Nieuw-Zeeland en Los Angeles geweest. Is dat normaal?
‘De afgelopen drie jaar wel, ja. En het wordt eigenlijk steeds extremer. Het schema van aankomende zomer is gekkenwerk: er zijn weekenden dat ik van Kroatië naar Servië, vervolgens naar de UK en daarna weer naar Roemenië vlieg.’

Hoe ga je daarmee om?
‘Ik ben nogal een control freak, dus ik bemoei me altijd tegen de agenda aan. Afgelopen zomer hadden we soms niet eens een nacht ingepland. Maar we doen het zelf, hè. We willen het allemaal zo graag dat we denken: dat komt wel goed.’

Je vierde je dertigste verjaardag in Nieuw-Zeeland. Stond ineens het hele gezin Van Dijck voor je neus…
‘Het mooie verjaardagscadeau ooit! Echt een daad van liefde. Toen mijn zussen van onder een dekentje tevoorschijn kwamen, werd ik helemaal gek. Ons gezin is heel hecht. Joost en ik zijn 250 dagen per jaar 24/7 samen, het is een wonder dat we elkaar niet de hersens inslaan. Dat komt ook omdat ik het reizen echt te gek vind. Het was het vijfde jaar op rij dat we met de band in Nieuw-Zeeland overwinterden. Onze gitarist Daniel komt er vandaan, dus het is een beetje onze tweede thuisbasis. In het weekend treden we op, doordeweeks nemen we de tijd om ergens op een hele mooie plek tot rust te komen. Ik vind het heerlijk om auto te rijden en op te gaan in de prachtige landschappen.’

Verlang je soms naar het regelmatiger leven?
‘Ja, natuurlijk. Het is heel lekker om na een tour even alleen te zijn in mijn eigen huis. Maar tegelijkertijd voelt het tourritme ook veilig, omdat je elke dag een heel duidelijk plan hebt. Thuis komen er makkelijker existentiële vragen naar boven. Op reis is daar geen ruimte voor, dan valt mijn individu een beetje weg in de groep.’

Wat zijn die existentiële vragen?
‘Bijvoorbeeld: mis ik allerlei kansen door voor MY BABY te kiezen? Over mijn carrièrekeuze heb ik geen enkele twijfel: al op m’n derde wist ik dat ik zangeres wilde worden en de afgelopen vier jaar stond mijn leven helemaal in het teken van de band. Gelukkig is het ‘t waard, maar het vergt veel om vriendschappen te behouden of een relatie te hebben. Die had ik in het begin wel, maar het was moeilijk te combineren. Ik maakte zoveel mee en had zoveel te verwerken. En in een relatie wil je niet alleen maar over jezelf praten.’

Zou je nu ruimte kunnen maken voor een nieuwe liefde?
‘Op dit moment voel ik niet dat die er is. Vorig jaar ben ik in Nieuw-Zeeland even heel verliefd geweest. Dat heb ik snel de kop ingedrukt, om een tragisch verhaal van een onmogelijke liefde te voorkomen. Nu weet ik dat ik dat niet meer moet doen, verliefd worden op iemand aan de andere kant van de wereld. MY BABY is al een soort extreme relatie. Ik ben er altijd mee bezig. Wat is onze filosofie? Welke optredens moeten we doen en welke juist niet? Die urgentie heb ik bij mijn vorige bands nooit gevoeld. Ik zou MY BABY nooit opgeven voor een relatie, dat is gewoon zo.’

Cato groeide op in een super muzikaal gezin, met een volledig uitgeruste studio in de kelder van het ouderlijk huis. Haar vader Paul, gepensioneerd huisarts van Marken, was thuis meer muzikant dan dokter. Spelenderwijs leerde hij zijn zoon en drie dochters meerstemmig zingen en instrumenten bespelen. Als Cato aan de keukentafel zat, kreeg ze soms ineens een mandoline in haar handen gedrukt om mee te ‘pielen’.

Vanaf haar tiende trad het gezin in het weekend op als de Van Dijck Band. Tijdens vakanties speelden ze soms spontaan in de buitenlucht. ‘We hebben in Florence een keer de krant gehaald omdat de hele straat volstond’, lacht Cato. ‘Dat was een enorm goede les, want hoe zorg je ervoor dat mensen blijven luisteren? Joost en ik vonden dat soort dingen het leukst, Sofie en Floor protesteerden soms.’

Was je een makkelijke tiener?
‘Als jongste hobbelde ik overal een beetje achteraan, maar zocht ik wel altijd het randje op. Spijbelen, blowen. Op m’n elfde ben ik zelfs een keer opgepakt voor winkeldiefstal, haha. Ik was overal vroeg bij, maar er daardoor ook wel weer snel klaar mee. Waarschijnlijk wilde ik niet onderdoen voor mijn oudere broer en zussen. Mijn ouders waren nooit echt boos, wel heel teleurgesteld. Één blik en ik wist genoeg.’

Stond je snel op eigen benen?
‘Ik ging op m’n achttiende het huis uit, naar Amsterdam. Toen was de rest al weg, dus dat wilde ik ook. Ons gezin heeft altijd een hele belangrijke rol gespeeld in mijn leven en doet dat nog steeds. Ik ben er nooit écht van losgekomen: ik zit nog steeds met m’n broer in een band.’

In The Souldiers stond je altijd zij en zij met je zus Sofie. Hoe was het om ieder jullie eigen weg te gaan?
‘Sofie en ik waren al ons hele leven een twee-eenheid. Als je wilt dat mensen je als een eenheid zien, lever je een groot deel van je eigen kwaliteiten, persoonlijkheid en smaak in. Op een gegeven moment kom je op een leeftijd dat je denkt: maar wie ben ik nou? Wat definieert mij? We merkten dat The Souldiers te veel één groot compromis was geworden. Zodra dat was uitgesproken, bleek dat we allebei een totaal andere richting op wilden. Joost en Daniel, die ook in The Souldiers zaten, deelden heel sterk mijn visie voor de toekomst. Toen hebben we besloten om daar met z’n drieën voor te gaan.’

Wat vond Sofie daarvan?
‘In het begin hadden we het er allebei moeilijk mee. Het is toch alsof er een relatie uitgaat. Maar tegelijkertijd denk ik dat we het allebei wel lekker vonden dat we vanaf dat moment alles helemaal zelf konden bepalen.’

De Cato op het podium heeft een heel ander karakter dan de Cato die hier aan de cappuccino zit. MY BABY is namelijk niet alleen de naam van de band, maar ook van het personage dat zij speelt. ‘Zij durft meer en is veel expressiever en stoerder dan ikzelf ben’, legt Cato uit terwijl ze in een bitterbal bijt. ‘Als ik me omkleed, transformeer ik meteen. Na een show duurt het altijd even voordat ik weer ‘mezelf’ ben – je zit toch in een adrenalineroes. Ik hou ervan om een rol aan te kunnen nemen en vanuit een personage songteksten te schrijven.’

Wat vind je daar zo fijn aan?
‘Ik heb me nooit geroepen gevoeld om in muziek mijn persoonlijke verhaal te vertellen. Dat vind ik gewoon niet zo interessant. Ik hou meer van een fantasiewereld waar je je als luisteraar in kunt verliezen. Niet dat ik per se een gesloten persoon ben, maar ik zie die twee werelden gewoon los van elkaar. Heel veel mensen stappen op hun werk in een rol, daarin ben ik niet anders.’

Waar beleef je je gelukkigste momenten?
‘Het meeste geluk overvalt me. Bijvoorbeeld als ik in het zonnetje over een brug fiets in Amsterdam of in Nieuw-Zeeland door de bergen rijd. Zodra je erover gaat nadenken, is dat gevoel meteen weer weg. Op het podium ben ik constant op zoek naar het piekmoment, een totaal euforische staat van zijn waarin ik niet meer nadenk, energie krijg van het publiek en alles goed gaat zonder dat ik er moeite voor hoef te doen. Dat is denk ik wel de hoogste vorm van geluk die ik ervaar.’

Heb je een langetermijnplan voor je leven?
‘Op dit moment draait alles om MY BABY. We hebben iets bijzonders in handen en willen ervoor zorgen dat iedereen die onze muziek als een verrijking van zijn of haar leven ziet, naar concerten kan komen en de band leert kennen. Het voelt als een soort queeste, een missie zonder eindpunt. Paradiso, Pinkpop, Glastonbury: het plafond wordt steeds een beetje hoger.’

Wat is het volgende plafond?
‘Main stages op de grote festivals. Daar spelen we in een aantal landen al, maar we willen naar nóg meer landen en regio’s. En naar Amerika! Het is een soort Risk, haha. Er is nog zoveel te doen en ontdekken. Mensen vragen vaak of ik er niet een keer een half jaar tussenuit moet. Nee! Vertraging vind ik alleen maar irritant, het moet nú gebeuren.’